CT-klemmen op de juiste fase aansluiten
Bij een 3-fase systeem is het belangrijk dat iedere CT-klem bij de juiste fase hoort.
Dat betekent dat CT1 bij L1 hoort, CT2 bij L2 en CT3 bij L3.
De energiemeter, omvormer of batterijcontroller combineert namelijk de stroommeting van de CT-klem met de spanningsmeting van diezelfde fase.
Zit een CT-klem om de verkeerde fase, dan kan het systeem wel stroom zien, maar wordt het vermogen verkeerd berekend.
Daardoor kunnen verbruik, teruglevering, import, export en batterijregeling onjuist worden weergegeven of aangestuurd.
Hoe controleer je of de CT-klem op de juiste fase zit?
Dit kun je controleren met een multimeter in AC-spanningsstand.
Het idee is eenvoudig: je vergelijkt de ader waar de CT-klem omheen zit met de spanningsingang van de fase waarbij die CT hoort.
Meet bijvoorbeeld tussen:
- de ader waar CT1 omheen zit en de L1-spanningsaansluiting
- de ader waar CT2 omheen zit en de L2-spanningsaansluiting
- de ader waar CT3 omheen zit en de L3-spanningsaansluiting
Meet je tussen dezelfde fasepunten, dan is het spanningsverschil ongeveer 0 V tot een paar volt.
Meet je tussen twee verschillende fases, dan meet je meestal ongeveer 400 V.
Praktische vuistregel
- 0 V of bijna 0 V = dezelfde fase
- ongeveer 400 V = andere fase
Voorbeeld: meet je tussen de ader van CT1 en L1 ongeveer 400 V, maar tussen diezelfde ader en L2 ongeveer 0 V?
Dan zit CT1 dus niet om L1, maar om L2.
Welke spanningen mag je normaal verwachten?
In een normale 3-fase installatie in Nederland zie je meestal ongeveer:
- L1 – N ≈ 230 V
- L2 – N ≈ 230 V
- L3 – N ≈ 230 V
- L1 – L2 ≈ 400 V
- L2 – L3 ≈ 400 V
- L1 – L3 ≈ 400 V
Deze metingen helpen je om te controleren of de spanningsaansluitingen logisch zijn aangesloten en of de CT-klemmen bij de juiste fase zitten.
Controleer ook met een belastingstest
Een extra praktische controle is een belastingstest. Zet een duidelijke 1-fase verbruiker aan, bijvoorbeeld een waterkoker, bouwlamp of elektrische kachel,
en kijk op de meter, in de app of in de monitoring op welke fase het verbruik stijgt.
- Belasting op L1 aan → alleen L1 moet duidelijk stijgen
- Belasting op L2 aan → alleen L2 moet duidelijk stijgen
- Belasting op L3 aan → alleen L3 moet duidelijk stijgen
Verschijnt de belasting op de verkeerde fase, dan zijn de CT-klemmen onderling verwisseld of klopt de koppeling tussen stroommeting en spanningsmeting niet.
Let ook op de richting van de CT-klem
Naast de juiste fase is ook de richting belangrijk. Op veel CT-klemmen staat een pijl.
Die pijl geeft aan hoe de stroomrichting wordt geïnterpreteerd. Zit de CT-klem verkeerd om, dan kan het systeem import en export omdraaien.
Zie je bij normaal verbruik negatieve waarden of onlogische teruglevering? Dan is de kans groot dat de CT-klem verkeerd om zit.
Waar moet je verder op letten?
- Plaats de CT-klem altijd om één losse ader, meestal de fase.
- Niet om een complete kabel met fase en nul samen, anders heffen de magnetische velden elkaar op.
- Bij 3-fase systemen: houd de volgorde CT1-L1, CT2-L2, CT3-L3 aan.
- Klik de CT-klem volledig dicht.
- Controleer bij vreemde meetwaarden altijd eerst de fasekoppeling en daarna de richting.
Deze metingen worden vaak uitgevoerd in de meterkast op actieve fasegeleiders. Gebruik alleen geschikt meetgereedschap en werk veilig.
Twijfel je over de meting of de aansluiting, laat dit dan uitvoeren door een vakbekwaam installateur.
Let op: CT-klemmen zijn niet zomaar uitwisselbaar
Een CT-klem lijkt misschien een eenvoudig meetklemmetje, maar technisch gezien is het een belangrijk onderdeel van de meting.
De omvormer, energiemeter of thuisbatterij verwacht een heel specifiek signaal van de CT-klem. Daarom is een CT-klem niet zomaar
uitwisselbaar met die van een ander merk of type.
Een CT-klem meet de stroom door een kabel en zet die om naar een klein meetsignaal. Dat signaal kan bijvoorbeeld een kleine stroom zijn,
zoals 50 mA, of een kleine spanning, zoals 333 mV of 1 V. Het aangesloten apparaat rekent
dat meetsignaal vervolgens terug naar de werkelijke stroom in ampère.
Als de verhouding of het uitgangssignaal niet klopt, meet het systeem verkeerd. Bij een gewone energiemeting is dat al vervelend, maar bij
een thuisbatterij, dynamische regeling of exportbegrenzing kan dit ervoor zorgen dat het systeem precies de verkeerde kant op gaat regelen.
Welke eigenschappen moeten overeenkomen?
- CT-verhouding, bijvoorbeeld 100A/50mA, 120A/40mA of 100A/333mV.
- Uitgangstype: stroomuitgang in mA of spanningsuitgang in mV/V.
- Maximale meetstroom, bijvoorbeeld 100A, 120A of 250A.
- Burden resistor: zit de meetweerstand in de CT-klem of in het apparaat?
- Pinout en stekker: een stekker die past, is niet automatisch elektrisch gelijk.
- Faserichting en polariteit: belangrijk voor import, export, laden en ontladen.
- Nauwkeurigheid en faseverschuiving: vooral belangrijk bij vermogensmeting.
Gebruik deze CT-klem daarom alleen bij apparaten waarvoor hij geschikt is volgens de fabrikant. Twijfel je? Gebruik dan liever de originele
CT-klem of controleer de specificaties zorgvuldig voordat je gaat aansluiten.
Hoe werkt een CT-klem?
CT staat voor Current Transformer, oftewel stroomtransformator. In de CT-klem zit een magnetische kern met daaromheen een spoel.
De kabel waar je de klem omheen klikt, vormt de primaire zijde van de transformator. Meestal is dat één enkele winding: de fasekabel zelf.
Wanneer er wisselstroom door de kabel loopt, ontstaat er rondom die kabel een wisselend magnetisch veld. De kern van de CT-klem vangt dit
magnetische veld op. In de spoel van de CT-klem wordt daardoor een klein elektrisch signaal opgewekt. Hoe meer stroom er door de kabel loopt,
hoe groter het meetsignaal wordt.
Waarom kan een verkeerde CT-klem problemen geven?
Een verkeerde CT-klem kan ervoor zorgen dat het apparaat een te hoge, te lage of zelfs omgekeerde waarde meet. Bij zonnepanelen en
thuisbatterijen kan dat flinke gevolgen hebben.
- De batterij laadt terwijl hij eigenlijk zou moeten ontladen.
- De batterij ontlaadt terwijl er juist zonnestroom over is.
- De omvormer denkt dat er wordt teruggeleverd terwijl er stroom wordt afgenomen.
- Exportbegrenzing werkt niet goed of reageert te laat.
- Het weergegeven verbruik of de teruglevering klopt niet.
- Een 3-fase systeem meet de fases verkeerd of door elkaar.
Hoe kun je meten wat voor CT-klem je hebt?
Begin altijd met het label of de datasheet. Op veel CT-klemmen staat de verhouding direct vermeld, bijvoorbeeld:
- 100A/50mA – stroomuitgang
- 120A/40mA – stroomuitgang
- 100A/333mV – spanningsuitgang
- 250A/5A – industriële stroomtransformator
- 2000:1 – verhouding tussen primaire en secundaire stroom
Staat er mA op de CT-klem? Dan is het meestal een CT met stroomuitgang. Staat er mV of V op?
Dan is het meestal een CT met spanningsuitgang, vaak met ingebouwde meetweerstand.
Met een multimeter kun je de weerstand tussen de twee draden van de CT-klem meten. Dit zegt niet direct wat de exacte CT-verhouding is,
maar het kan wel helpen om te zien of de klem onderbroken is en of er waarschijnlijk een spoel of ingebouwde meetweerstand aanwezig is.
Wil je de verhouding controleren, dan kun je de CT-klem testen met een bekende belasting. Bij een CT-klem met spanningsuitgang meet je met
de multimeter in AC mV of AC V. Meet je bijvoorbeeld ongeveer 33 mV bij 10 A, dan kom je omgerekend uit op
ongeveer 333 mV bij 100 A. Dat wijst op een 100A/333mV CT-klem.
Bij een CT-klem met stroomuitgang moet je voor een veilige en correcte meting meestal werken met een geschikte burden resistor. Hiermee zet je
de secundaire stroom om naar een meetbare spanning. Doe dit alleen als je weet wat je doet en voorkom dat een klassieke stroom-CT open blijft
terwijl er stroom door de primaire kabel loopt.
Waar moet je op letten bij het aansluiten?
- Plaats de CT-klem om één losse ader, meestal de fase. Niet om een complete kabel met fase en nul samen.
- Let op de pijlrichting op de CT-klem. De richting bepaalt hoe import en export worden geïnterpreteerd.
- Bij 3-fase systemen: koppel CT1 aan L1, CT2 aan L2 en CT3 aan L3.
- Controleer de fasevolgorde als waarden vreemd of negatief worden weergegeven.
- Klik de CT-klem volledig dicht. Een slecht gesloten kern kan onnauwkeurige metingen geven.
- Verleng CT-kabels niet zomaar. Extra lengte, slechte verbindingen of verkeerde kabels kunnen de meting beïnvloeden.
- Plaats de CT op het juiste meetpunt, meestal aan het begin van de installatie, zodat het systeem alle afname en teruglevering kan meten.
Werk in de meterkast alleen als je weet wat je doet. CT-klemmen worden vaak geplaatst rond hoofd- of fasegeleiders waar gevaarlijke spanningen
en stromen aanwezig zijn. Schakel veilig af waar mogelijk en laat werkzaamheden bij twijfel uitvoeren door een vakbekwaam installateur.